In de rapportage worden naast de leerling-identificatie en de leerpotentieelscore nog enkele andere scores gegeven die inzicht geven in de capaciteiten van uw leerlingen en het presteren van uw leerlingen kunnen verbeteren.

Uitleg over de in de rapportage gepresenteerde scores zie (voorbeeld)LP (4, 5, 6, 7, 8)


Dit is de leerpotentieelscore (algemene intelligentie) in de diverse groepen. De score heeft een zekerheidsmarge van 5 punten (betrouwbaarheidsinterval). De scores van alle leerlingen in Nederland hebben een gemiddelde van 100 en een standaarddeviatie van 15. De individuele score kan als volgt worden opgevat (in de rapportage onder de kolom nscct IV):


65-85            Groep 5        Leerlingen met weinig mogelijkheden, hebben een redelijke kans                                           om later in het praktijkonderwijs of beroepsonderwijs niveau 1,2                                           terecht te komen.

86 – 95         Groep 4        Beneden gemiddelde leerlingen hebben een goede kans om in                                           de BBL of BOL terecht te komen.

96 – 103       Groep 3        Gemiddelde leerling met een redelijke kans om in VMBO-TL of -                                           KBL terecht te komen.

104 – 110     Groep 2        Boven gemiddelde leerling met behoorlijke mogelijkheden,                                           hebben een redelijke kans om op de HAVO te komen.

111 – 135      Groep 1       Goede leerling met veel mogelijkheden, hebben een goede kans                                           om op de HAVO of het VWO terecht te komen.


Pmis

Dit is het percentage niet of dubbel ingevulde vragen (er is altijd maar één goed antwoord per vraag). Dergelijke vragen worden fout gerekend. Bij de meeste leerlingen is dit percentage laag, minder dan 5%. Sommige leerlingen hebben een hoger percentage en dat kan verschillende oorzaken hebben. Zo kan een leerling een deel van de test niet gemaakt hebben omdat de leerling werd weggeroepen, naar het toilet moest etc. Ook vinden sommige kinderen het moeilijk om iets te raden wat ze niet zeker weten. Van deze leerlingen is de leerpotentieelscore mogelijk te laag ingeschat omdat er vanuit gegaan wordt als leerlingen het niet zeker weten dat ze zullen raden. Bij de instructie wordt dit ook benadrukt. Een hoog percentage Pmis kan er ook op wijzen dat het blad te licht is ingevuld: de rondjes zijn onvoldoende zwart gemaakt. Als dit het geval is, kunt u de kopie (100%) eerst goed bijzwarten met pen en nogmaals insturen. Uiteraard is het beter om voor inzending goed te controleren of het wel zwart genoeg is.


Pruim, Pnum, Pverb

Het percentage goed gemaakte vragen op respectievelijk de ruimtelijke, numerieke en verbale subtests. Deze score kunt u alleen gebruiken als indicatie.

Cito_AE, Cito_IV

Dit is omrekening van de leerpotentieelscore naar de oude (Cito_AE) en nieuwe indeling (Cito_IV). De scores lopen van 1.0 t/m 5.9. Een score van 1.0 zou de beste prestaties moeten laten zien in Cito niveau A van de oude indeling en niveau I van de nieuwe indeling. Een score van 5.9 zijn zeer zwakke leerlingen van groep E of V.
De Cito-indelingsscores kunt U vergelijken met de toets resultaten op Cito-toetsen uit het leerlingvolgsysteem (Cito, Parnassys, etc.) om zo na te gaan of een leerling nog wel naar zijn/haar capaciteiten presteert.

1.0 t/m 1.9 = sterk-zwak Cito niveau A en I en NSCCT groep 1
2.0 t/m 2.9 = sterk-zwak Cito niveau B en II en NSCCT groep 2
3.0 t/m 3.9 = sterk-zwak Cito niveau C en III en NSCCT groep 3
4.0 t/m 4.9 = sterk-zwak Cito niveau D en IV en NSCCT groep 4
5.0 t/m 5.9 = sterk-zwak Cito niveau E en V en NSCCT groep 5

Wordt bijvoorbeeld op een Cito M of E-toets gevonden dat de leerling een gemiddelde C-leerling is, dan zou deze leerling een naar de Cito_AE indeling omgerekende leerpotentieelscore van ongeveer 3.5 moeten hebben. Blijkt uit de NSCCT-rapportage echter dat de omgerekende leerpotentieelscore 1.5 is, dan is het verschil tussen de prestatiescore en de gevonden leerpotentieelscore 2.0 punten. In zo'n geval presteert de leerling duidelijke onder zijn/haar capaciteiten.


Schooladvies

Van de leerpotentieelscore is de predictieve waarde aangetoond. Dat maakt deze score bijzonder geschikt om voor iedere leerling een ontwikkelingsprofiel op de stellen. Veel scholen gebruiken hier Cito-scores voor, maar die zijn hier niet voor bedoeld en meten uitsluitend wat leerlingen hebben geleerd (kennen), maar niet wat ze later kunnen. De volgende indicatieve richtlijnen kunt u gebruiken:

LP-score
kleiner/gelijk 72 'PrO'.
72-84 'i-BBL'.
84-91 'BBL'.
91- 97 'KBL'.
97-104 'GTL'.
104-114 'HAVO'.
groter dan 114 'VWO'

Veel scholen kiezen ervoor om de NSCCT vanaf groep 4 elk leerjaar af te nemen. Hierdoor krijgen zij een steeds betrouwbaardere schatting van het leerpotentieel.

Het is hierbij te verwachten dat de scores per leerjaar zullen variëren. Hiervoor zijn veel redenen aan te dragen waarvan de 'afname conditie' een belangrijke is: waren de omstandigheden tijdens de afname wel gelijk en volgens de voorschriften? Was het belang van de NSCCT dat aan de kinderen is overgebracht wel gelijk? Waren de persoonlijke omstandigheden wel gelijk? Het kan nogal schelen wanneer het kind de ene keer moe was en een andere keer uitgerust, of er thuis problemen spelen enz.

Bij kinderen in deze groepen is de intellectuele ontwikkeling nog volop gaande en er kunnen 'sprongen' worden gemaakt op verschillende momenten.

Verder speelt de meetonbetrouwbaarheid een rol: er is een betrouwbaarheidsinterval van +/- 5 punten, hetgeen impliceert dat een verschil van 10 punten niet perse naar een andere 'ware' score (positie in de normgroep) hoeft te wijzen.

Bij kinderen die een extreme score hebben behaald (zeer hoog of laag) is het te verwachten dat ze later minder extreem zullen scoren (het zogenaamde regressie effect).

De NSCCT is een quick-screenings device met de bedoeling om het onderwijs beter bij de mogelijkheden van de leerlingen te laten aansluiten. Voor diagnostiek waarbij een zware beslissing moet worden genomen over een leerling, is de nscct alleen minder geschikt.


Verschillen tussen metingen

Ouders, maar soms ook leerkrachten, denken vaak te 'gefixeerd' over de lp-score, alsof het iets zou zeggen over de genetische aanleg. Ze menen dat hun kind een stempel krijgt en daar niets meer aan te doen valt. Dat is een misvatting. De school kan ouders hiervan af helpen door te vertellen dat zelfs een eenvoudige bloeddrukmeting 3x (in een paar minuten) moet gebeuren om een enigszins betrouwbare inschatting te krijgen en een dag later kan het alweer anders zijn. Ook tussen deze 3 metingen kunnen grote verschillen bestaan en wordt het gemiddelde als de 'ware' bloeddruk genomen.

Bij grote verschillen tussen metingen vanaf 15 punten, is er bij een meting mogelijk iets misgegaan. Dat vraagt om nader onderzoek: wat is de inschatting van de leerkracht, ib'er etc? Kortom hoe ziet het hele plaatje eruit en klopt dit met eerdere metingen?

In het geval dat er een belangrijke beslissing moet worden gemaakt (b.v. naar Pro of niet), is hertesten met de NSCCT of een andere intelligentie test aan te bevelen.


Wat te doen met 2 (of meer) verschillende scores (uit leerjaren):

  • middelen (psychometrisch het best)
  • neem bij extreme verschillen de hoogste score en trek daar 5 punten af.

Hierna kunt u de 'nieuwe' lp score relateren aan de CitoA_E,IV,NSCCTIV-score via de excel-file die u hier kunt downloaden.